Skip to main content

politicus

geboren: 20 januari 1818 (Waalwijk)
overleden: 9 juni 1902 ('s-Hertogenbosch)

In 1837 ging hij studeren in Leiden waar hij in de rechten promoveerde op 9 oktober 1841. Hij werd advocaat in 's-Hertogenbosch waar hij de uitgebreide praktijk van zijn vader overnam die raadsheer van het gerechtshof was geworden. Op 11 oktober 1859 werd hij ter vervanging van zijn overleden vader in het district 's-Hertogenbosch tot lid van de Tweede Kamer gekozen. Hij was één van de weinige leden die zich vaak lieten horen. Conservatief als hij was vond hij, net als zijn vader, dat de belangen van het rooms-katholieke geloof het zwaarst zouden moeten wegen in de politiek.

Na eerst het ministerschap van Justitie te hebben geweigerd werd hij in 1868 wel minister voor de RK-Eredienst in het kabinet Van Zuylen-Van Nijevelt. Nadat een begroting van Buitenlandse Zaken meerdere keren werd verworpen trad het kabinet af en werd Luyben weer advocaat in 's-Hertogenbosch. Bij de periodieke verkiezing van 8 juni 1869 werd hij weer tot lid van de Tweede Kamer gekozen, nu in het district Breda. Gedurende de daarop volgende periode was hij diverse malen derde kandidaat voor het voorzitterschap en dus tweede ondervoorzitter.

In 1873 werd hij benoemd tot kantonrechter in 's-Hertogenbosch en trad wederom af als Kamerlid, maar werd al in 1874 weer herkozen. Eveneens in 1874 werd hij benoemd als burgemeester van 's-Hertogenbosch, maar omdat dat geen rijksbetrekking was hoefde hij niet af te treden als kamerlid. Als burgemeester was hij onder andere verantwoordelijk voor de 'watervrijmaking' van 's-Hertogenbosch. Hij zorgde ervoor dat het water uit het buitengebied de stad niet meer kon overspoelen. Dit hoge water had er in 1876 nog voor gezorgd dat er een zware tyfusepidemie was uitgebroken dus het was van groot belang dat het water niet meer tot in de stad kon doordringen.

In 1880 werd hij rechter bij de arrondissementsrechtbank in 's-Hertogenbosch. Naar aanleiding van die benoeming nam hij ontslag als Kamerlid met daarbij als verzoek daarvoor ook niet meer in aanmerking te komen. Op 14 maart 1883 werd hij benoemd tot raadsheer in het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Dit is hij nog 10 jaar gebleven. Bij koninklijk besluit van 6 maart 1893 werd hij, op eigen verzoek, eervol ontslagen.