columns / verhalen

Hedde’t al geheurd
Van d’n dieje en d’n dieje
Wètt’r ies gebeurd
Mee d’n dieje en d’n dieje

Hedde’t al geheurd
Verhalen vertellen
Over mensen
Wat ze doen en laten
En wensen

over columns / verhalen

Een plek op wolluk.nl waar we op zoek gaan naar verhalen en meningen over of uit Waalwijk. De richtlijnen voor een column zijn dat het over Waalwijk gaat en dat er zo'n 250-300 woorden gebruikt worden. Columnt u mee?

  • Home
  • cultuur
  • columns / verhalen

Een Hollander ontdekt Brabant

Ik moet Waalwijk opzoeken in mijn grote Bosatlas als ik de personeelsadvertentie van de plaatselijke scholengemeenschap onder ogen krijg. Op een zonnige dag tuig ik ernaar toe voor een sollicitatiegesprek.
Aangezien ik geen rijbewijs heb, ben ik aangewezen op het openbaar vervoer. Op het station in Beverwijk, mijn toenmalige woonplaats, bestel ik nietsvermoedend een retourtje Waalwijk. De man achter het loket schudt meelijdend zijn hoofd.
‘Dat zal niet gaan, meneer,' zegt hij. ‘Waalwijk heeft geen NS-station. U kunt in Haarlem de trein naar Maastricht nemen. Die stopt in ’s-Hertogenbosch. Daar moet u verder met de bus.’
De rit met de Brabantse Buurtspoorwegen en Autodiensten geeft me alle gelegenheid de Langstraat, mijn toekomstig woongebied, rustig te bekijken. Door boomrijke klinkerwegen verbonden dorpen met spannende namen als Vlijmen, Nieuwkuijk, Drunen. Links en rechts verspreide bebouwing. Boerderijen, bedrijfjes en een enkel café. In een dorpskern partycentrum De Ster.
Na drie kwartier zet de bus mij af op een langgerekt ovaal trottoir midden in Waalwijk. Het Raadhuisplein. Ik blijf even staan voor het monumentale raadhuis, dat mij vreemd vertrouwd voorkomt. Ben ik hier ooit eerder geweest? Wacht eens, die natuurstenen onderstukken, massieve bakstenen muren, de compacte bouw. Het lijkt de kerk van Onze Lieve Vrouw van Goede Raad in Beverwijk wel. Een ontwerp van Kropholler. Mijn parochiekerk, waar ik de Plechtige Hernieuwing der Doopbelofte heb gedaan. Is die omstreden architect hier ook aan de gang geweest?
Ik schud het hoofd en loop de Grotestraat in. Links een oud hotel met een fraaie houten veranda. Even verder een restaurant waarop met grote letters Jan de Nijs. Ik heb honger en ga naar binnen. De menukaart vermeldt als naam van dit etablissement De Gecroonde Leersse. Het interieur is precies zoals ik mij dat van een Brabants café voorstel. Bruin. Tafeltjes met pluchen kleedjes. Plavuizen vloer. Biljart. Warm licht van schemerlampjes tegen berookte muren met houten lambrisering. Achterin, gedeeltelijk aan het oog onttrokken door schuifdeuren, een grote zaal. Hier oefent de harmonie, denk ik en worden wedstrijden gehouden in typisch Brabantse kaartspelen, die ik nog moet leren. En natuurlijk komen hier op zondagmorgen duivenliefhebbers bijeen.
Aan de vrouw die mij de uitsmijter met spek komt brengen, vraag ik: ‘Hoe heet deze zaak nu eigenlijk, Jan de Nijs of De Gecroonde Leersse?’
‘Ko de Nijs’ antwoordt ze droog en loopt weg. Duidelijk.
Nu – bijna 40 later – is Ko de Nijs er niet meer. Net zo min als het fraaie pand met de veranda. Waalwijk is veranderd, en ik ook. Misschien ben ik geen Brabander geworden, maar toch zeker Waalwijker.
Het gemeentehuis is er nog wel, bezig aan een tweede leven. En het is echt van Kropholler.

  • Frans Hagendoorn maart 2015

Gij oewe zin

Mij is gevraagd om een column te schrijven over Wolluk. Beetje vreemd, ik ben opgegroeid in ’t Hoekske en ik woon nu al meer dan 25 jaar in Drunen. Ik heb wel in Wolluk gewoond, een jaar of zeven. En ik heb er zelfs drie scholen bezocht.

Wolluk leerde ik op zondagen kennen. Dan gingen mijn vader en moeder, samen met ons - drie kinderen - naar de Antoniuskerk. Op de fiets, een auto hadden we niet. Wat me nog het meest fascineerde aan die kerkgang was dat mijn vader als een blok in slaap viel als pastoor Lam aan zijn preek begon. Was dat verhaal afgelopen, dan werd pa meteen weer wakker. Hij had inderdaad niks gemist.

De lagere school heb ik doorgebracht in Kaatsheuvel. De overbuurjongens gingen ook naar de Bernardusschool, fiets maar mee. Zo ging dat toentertijd. De middelbare school was een slalom door Wolluk. Jaartje lts op het Vredesplein, maar ik had twee linkerhanden. Dus mocht ik naar de Michaël-mavo, want de theorievakken lagen me beter. Netjes de school doorlopen, daarna naar het volgende adres: het Dr. Mollercollege, havo-top. Mooie tijd gehad, zeker bij Frans Vercauteren, leraar geschiedenis. Had zelf het geschiedenisboek geschreven, 'Mensen en Machten'. Blijkbaar deugde dat voor geen meter: we hoefden er nooit in te kijken.

Wolluk, dat was voor mij ook RKC. Als pupil lid geworden, ik kon er geen hout van. Verloor met RKC A3 met 30-0 van RKC A1. Dolf Timmermans scoorde vijftien keer. Treurig? Nee, de week daarop stonden we weer op het veld. Nieuwe hoop bood nieuwe kansen. Alleen was het jammer dat we altijd kansloos waren. 22 wedstrijden geklungeld, 0 punten. Meer dan 260 doelpunten tegen, twee zelf gescoord. Eentje van mijn voet, bij Baardwijk. Ik schoot de bal onverhoeds tegen de touwen, wilde eigenlijk een voorzet geven. Jos Klerx gepasseerd. Hij moet het als een schande hebben ervaren. Misschien dat-ie daarom zijn keepershandschoenen heeft ingeruild voor een scheidsrechtersfluit.

Verkering gekregen in Wolluk. Niet verloofd, wel getrouwd. Gewoond aan de Grotestraat in zo’n premie-A-woning. Ik werkte in Wolluk, aan de Meerdijkschool. Beide kinderen zijn in Wolluk geboren, in het ziekenhuis. Dwarsliggers, toen al. Geintje, het is allemaal goed gekomen.

In 1989 naar Drunen verhuisd. Nee, het is geen Wolluk. Het is gewoon Drunen. Daar staan ook huizen, er wonen en werken ook mensen. Ze hebben ook hun goede en minder goede kanten. Wat ik hiermee wil zeggen? Wolluk of Drunen, het maakt niet zoveel uit om ergens gelukkig te zijn. Daar kun je ook zelf veel aan doen.

  • Kees Klijn september 2014