beroemde Waalwijkers

Ken ik u ergens van
Heb ik u wel eens meer gezien
Bent u een bekende dan
Heb ik van u gehoord
Of gelezen misschien
dat u hier tussen thuis hoort

over beroemde Waalwijkers

De lijst die wij hebben samengesteld is, natuurlijk, niet compleet en vooral enorm subjectief. Wat is beroemd? Wanneer is iemand een Wollukse? Één ding staat voor ons vast: de persoon in kwestie moet ook beroemd zijn buiten Waalwijk. Maar hoe beroemd, onder hoeveel mensen en hoe ver buiten Waalwijk? Wij zijn aan het verzamelen geslagen, met genoeg speelruimte om een leuke lijst samen te stellen.

Hebt u nog aanvullingen, laat het ons weten op waalwijkers@wolluk.nl.

Een Hollander ontdekt Brabant

Ik moet Waalwijk opzoeken in mijn grote Bosatlas als ik de personeelsadvertentie van de plaatselijke scholengemeenschap onder ogen krijg. Op een zonnige dag tuig ik ernaar toe voor een sollicitatiegesprek.
Aangezien ik geen rijbewijs heb, ben ik aangewezen op het openbaar vervoer. Op het station in Beverwijk, mijn toenmalige woonplaats, bestel ik nietsvermoedend een retourtje Waalwijk. De man achter het loket schudt meelijdend zijn hoofd.
‘Dat zal niet gaan, meneer,' zegt hij. ‘Waalwijk heeft geen NS-station. U kunt in Haarlem de trein naar Maastricht nemen. Die stopt in ’s-Hertogenbosch. Daar moet u verder met de bus.’
De rit met de Brabantse Buurtspoorwegen en Autodiensten geeft me alle gelegenheid de Langstraat, mijn toekomstig woongebied, rustig te bekijken. Door boomrijke klinkerwegen verbonden dorpen met spannende namen als Vlijmen, Nieuwkuijk, Drunen. Links en rechts verspreide bebouwing. Boerderijen, bedrijfjes en een enkel café. In een dorpskern partycentrum De Ster.
Na drie kwartier zet de bus mij af op een langgerekt ovaal trottoir midden in Waalwijk. Het Raadhuisplein. Ik blijf even staan voor het monumentale raadhuis, dat mij vreemd vertrouwd voorkomt. Ben ik hier ooit eerder geweest? Wacht eens, die natuurstenen onderstukken, massieve bakstenen muren, de compacte bouw. Het lijkt de kerk van Onze Lieve Vrouw van Goede Raad in Beverwijk wel. Een ontwerp van Kropholler. Mijn parochiekerk, waar ik de Plechtige Hernieuwing der Doopbelofte heb gedaan. Is die omstreden architect hier ook aan de gang geweest?
Ik schud het hoofd en loop de Grotestraat in. Links een oud hotel met een fraaie houten veranda. Even verder een restaurant waarop met grote letters Jan de Nijs. Ik heb honger en ga naar binnen. De menukaart vermeldt als naam van dit etablissement De Gecroonde Leersse. Het interieur is precies zoals ik mij dat van een Brabants café voorstel. Bruin. Tafeltjes met pluchen kleedjes. Plavuizen vloer. Biljart. Warm licht van schemerlampjes tegen berookte muren met houten lambrisering. Achterin, gedeeltelijk aan het oog onttrokken door schuifdeuren, een grote zaal. Hier oefent de harmonie, denk ik en worden wedstrijden gehouden in typisch Brabantse kaartspelen, die ik nog moet leren. En natuurlijk komen hier op zondagmorgen duivenliefhebbers bijeen.
Aan de vrouw die mij de uitsmijter met spek komt brengen, vraag ik: ‘Hoe heet deze zaak nu eigenlijk, Jan de Nijs of De Gecroonde Leersse?’
‘Ko de Nijs’ antwoordt ze droog en loopt weg. Duidelijk.
Nu – bijna 40 later – is Ko de Nijs er niet meer. Net zo min als het fraaie pand met de veranda. Waalwijk is veranderd, en ik ook. Misschien ben ik geen Brabander geworden, maar toch zeker Waalwijker.
Het gemeentehuis is er nog wel, bezig aan een tweede leven. En het is echt van Kropholler.

  • Frans Hagendoorn maart 2015

Gij oewe zin

Mij is gevraagd om een column te schrijven over Wolluk. Beetje vreemd, ik ben opgegroeid in ’t Hoekske en ik woon nu al meer dan 25 jaar in Drunen. Ik heb wel in Wolluk gewoond, een jaar of zeven. En ik heb er zelfs drie scholen bezocht.

Wolluk leerde ik op zondagen kennen. Dan gingen mijn vader en moeder, samen met ons - drie kinderen - naar de Antoniuskerk. Op de fiets, een auto hadden we niet. Wat me nog het meest fascineerde aan die kerkgang was dat mijn vader als een blok in slaap viel als pastoor Lam aan zijn preek begon. Was dat verhaal afgelopen, dan werd pa meteen weer wakker. Hij had inderdaad niks gemist.

De lagere school heb ik doorgebracht in Kaatsheuvel. De overbuurjongens gingen ook naar de Bernardusschool, fiets maar mee. Zo ging dat toentertijd. De middelbare school was een slalom door Wolluk. Jaartje lts op het Vredesplein, maar ik had twee linkerhanden. Dus mocht ik naar de Michaël-mavo, want de theorievakken lagen me beter. Netjes de school doorlopen, daarna naar het volgende adres: het Dr. Mollercollege, havo-top. Mooie tijd gehad, zeker bij Frans Vercauteren, leraar geschiedenis. Had zelf het geschiedenisboek geschreven, 'Mensen en Machten'. Blijkbaar deugde dat voor geen meter: we hoefden er nooit in te kijken.

Wolluk, dat was voor mij ook RKC. Als pupil lid geworden, ik kon er geen hout van. Verloor met RKC A3 met 30-0 van RKC A1. Dolf Timmermans scoorde vijftien keer. Treurig? Nee, de week daarop stonden we weer op het veld. Nieuwe hoop bood nieuwe kansen. Alleen was het jammer dat we altijd kansloos waren. 22 wedstrijden geklungeld, 0 punten. Meer dan 260 doelpunten tegen, twee zelf gescoord. Eentje van mijn voet, bij Baardwijk. Ik schoot de bal onverhoeds tegen de touwen, wilde eigenlijk een voorzet geven. Jos Klerx gepasseerd. Hij moet het als een schande hebben ervaren. Misschien dat-ie daarom zijn keepershandschoenen heeft ingeruild voor een scheidsrechtersfluit.

Verkering gekregen in Wolluk. Niet verloofd, wel getrouwd. Gewoond aan de Grotestraat in zo’n premie-A-woning. Ik werkte in Wolluk, aan de Meerdijkschool. Beide kinderen zijn in Wolluk geboren, in het ziekenhuis. Dwarsliggers, toen al. Geintje, het is allemaal goed gekomen.

In 1989 naar Drunen verhuisd. Nee, het is geen Wolluk. Het is gewoon Drunen. Daar staan ook huizen, er wonen en werken ook mensen. Ze hebben ook hun goede en minder goede kanten. Wat ik hiermee wil zeggen? Wolluk of Drunen, het maakt niet zoveel uit om ergens gelukkig te zijn. Daar kun je ook zelf veel aan doen.

  • Kees Klijn september 2014

Wolluk

RKC gaat waarschijnlijk degraderen. Wat blijft, zijn de herinneringen aan die avondjes 'Wolluk', waar de mensen nog goed zijn.

Begin dit jaar was het twintig jaar geleden dat ik voor het eerst een thuiswedstrijd van RKC bijwoonde. RKC - Ajax, 2 februari 1994.

De datum moest ik uiteraard opzoeken, maar twee dingen herinnerde ik me nog goed: dat het een avondwedstrijd bij kunstlicht was en dat het koud was.

Ik bezocht Waalwijk als aanhanger van de bezoekende club van die avond en tot op de dag van vandaag is Waalwijk de enige voetbalstad ter wereld waar ik iemand tegenkwam die niet op de hoogte was van het feit dat er in zijn woonplaats een profvoetbalclub actief was.

Ga dat maar eens zoeken in Engeland of Schotland: een stadje waar volwassen mannen vraagtekens in de ogen krijgen wanneer je ze de weg naar het plaatselijke voetbalstadion vraagt. In Waalwijk bestaat het. Het bestond althans in 1994.

We moesten de weg vragen omdat we bij een verkeerde halte uit de streekbus vanuit 's-Hertogenbosch waren gestapt en ineens in een woonwijk stonden. We zagen nergens lichtmasten en op straat was niemand te bekennen.

Lange fietsenstalling
Pas na een hele tijd om ons heen kijken, ontwaarden we een man in de avondnevel. Hij was bezig zijn hond uit te laten op een kinderspeelveldje.

We vroegen de man of hij wist waar het stadion was.

"Stadion?" vroeg hij. Hij trok er een gezicht bij alsof we hem net hadden gevraagd of hij misschien de beroemde man met de drie piemels was.

"Ja. Stadion", zeiden wij. "Het stadion van RKC. We komen voor de wedstrijd."

"RKC?" vroeg de man. "Als u de sportvelden zoekt, moet u die kant op."

We liepen die kant op. Net toen we vermoedden dat de man ons een poets van het type 'Do ist der Bahnhof' gebakken had, besloten we, staand voor een lange fietsenstalling, nog maar eens een Waalwijker de weg te vragen.

De fietsenstalling bleek dus het stadion te zijn. Sportpark Olympia.

Drumband
Tot vlak voor de aftrap dronken we bier in de kantine van een naast het voetbalveld gelegen amateurvereniging waar supporters van de tegenpartij van harte welkom waren - en na de wedstrijd keerden we er terug. Tussendoor won Ajax met 3-0 (de uitslag moest ik opzoeken), een clean sheet, ondanks de aanwezigheid van Marco Boogers én Harry Decheiver bij RKC.

Sportpark Olympia verdween, het Mandemakers Stadion kwam, maar dat donderde allemaal niets: ik bleef jaar in jaar uit met veel plezier in Waalwijk komen.

Nooit zal ik de najaarsavond in 2002 vergeten waarop de scheidsrechter de tweede helft wilde laten beginnen, maar de drumband Wilhelmina van geen wijken wilde weten. Onverstoorbaar toeterde men voort. Zelfs toen stewards de dansmariekes en muzikanten met zachte dwang van het veld hadden gebonjourd, speelden ze buiten het stadionnetje gewoon verder tot het klaar was.

En dan had je natuurlijk nog Khalid Sinouh, de keeper die - wanneer je hem maar lang genoeg bleef jennen - vroeg of laat terug ging praten tegen het uitvak. En daarna ging 'ie dan fouten maken.

Kneuterig
Zondag degradeert RKC Waalwijk waarschijnlijk. Dat kan nu eenmaal gebeuren. Degradanten horen bij een competitie. Toch zal ik, zonder krokodillentranen te willen huilen, RKC een beetje missen, ook al proberen nog zoveel mensen me ervan te overtuigen dat een dergelijk 'lelijk eendje' niet in onze elitedivisie 'hoort'.

RKC stond altijd voor ongeveer alles dat het Nederlandse lekker klein en kneuterig hield. Als RKC eruit vliegt, komt er een nog kleiner clubje met een nog veel kleiner stadion voor in de plaats, maar toch: Kralingen is geen Waalwijk. RKC was altijd een vertrouwde oase van Brabantse dorpsheid in de hoogste divisie van ons profvoetbal. Precies daarom houd ik van de eredivisie, geloof ik.

Laten we proosten op de Waalwijker die het RKC-stadion niet kende, voordat we het zelf ook zijn vergeten.

  • Menno Pot mei 2014 (gepubliceerd op NUsport)

Van oude mensen de dingen die voorbij gaan

Nou zeg ik niet dat oud worden per definitie een crime is - maar stiekem denk ik van wel, vooral na mijn veertigste verjaardag. En sinds ik in het vooruitzicht verkeer mijn moeder een scootmobieltraining te geven op hetzelfde pleintje waar mijn zoon nog niet zo lang geleden heeft leren fietsen, is dat gevoel er niet minder op geworden. Oud zijn is namelijk hartstikke out.

Wat moeten we met de generatie babyboomers die zanikt over hun pensioen en tegelijkertijd nog steeds de macht in handen heeft? Met die rij bejaarden voor de pinautomaat? Een hele tijd geleden werden rolstoelers in groepsverband al geweerd in Almere en Oude Pekela (google ‘Hang Oud’); in ‘de stad’ Wolluk neemt het aantal hangsenioren ook hand over hand toe. Kandinsky, Café City, Petit Paris en ’t Slot: het wemelt ervan.

Typisch, omdat Waalwijk niet bekend staat om het koesteren van de eigen geschiedenis. Sterker: uitblinkt in het slopen dan wel laten versloffen of afbranden van zijn oude gebouwen. Maar al te vaak afstand neemt van prachtige karakteristieken, van oorspronkelijke natuurgebieden, van het verleden in het algemeen. Zwembad het Hoefsven, het Lido, het Broederklooster, Ko de Nijs.

Er lijkt in positieve zin iets te zijn veranderd, sinds een jaar of wat. In Wolluk dan, qua kijk op de historie. Maar niet wat betreft de landelijke blik op ouderen. Want die blijft onverminderd negatief. Jammer: juist deze mensen vertegenwoordigen het niet eens zo heel grijze verleden. Zij hebben verhalen te vertellen die de moeite waard zijn, al dan niet met een cultuurhistorisch ankerpunt. Als je maar luistert.

Ondertussen rijden bejaarde scootmobielers stevig door, in de Wollukse winkelstraten (ondanks de koude kerstversiering in ons centrum: het equivalent van de paskamerspiegel in een willekeurige discountzaak). En geef ze eens ongelijk. Waar zou je nog bij stilstaan, hier? Misschien voor een praatje...

  • Monique van Mierlo september 2011

Maria van de haven

Nog niet zo heel erg lang geleden kwam een havenmeester thuis van een reis naar Maastricht. Wat ‘ie daar allemaal gedaan en gelaten heeft weet niemand, behalve de havenmeester. Maar hij kwam terug in Waalwijk met een Mariabeeld. Had hij het daar gekocht, gekregen, meegenomen misschien? Niemand die het wist, behalve de havenmeester.

Hij liet een heus kapelleke bouwen voor zijn nieuwe vriendin. Een eenvoudig optrekje, niet meer dan een nis groot met de opening op het oosten. Want daar komt de wijsheid vandaan, zeggen ze.
En Maria had een schitterend uitzicht over de weidsheid van de uiterwaarden aan de Maas. Wijsheid en weidsheid dus. Wat kun je een vrouw meer geven. En onderdak dus.

Het gebeurde aan het eind van een barre winter met uitzonderlijk veel sneeuwval, ook in de landen om ons heen. Toen de sneeuw langzaamaan ging smelten steeg het peil van de rivier en via Maastricht kwam veel water deze kant op. Het klotste tegen de zomerdijk aan.
Onze Maria bevond zich op het niveau van de weilanden en kwam alras geheel en al onder water te staan. Dit houdt geen enkel mens lang vol, zelfs Maria niet en ze is gaan zwemmen. Wat ook weer niemand wist, behalve de havenmeester, maar die kwam er pas achter toen een paar weken later het water zakte en hij zijn Maria miste, ze was weg. Door het water meegenomen? De havenmeester bleef de omgeving afspeuren in de hoop zijn lieve vrouwe terug te vinden.

Na 33 dagen zag hij haar terug, stroomopwaarts, een halve kilometer van zijn boot vandaan. Wilde ze terug naar Maastricht zwemmen of wilde Maastricht haar terughebben? Niemand die het weet, behalve misschien de havenmeester. Hij had zijn Maria terug. Ze staat weer in haar kapelleke. Maar de havenmeester heeft er een ijzeren poortje in laten hangen.

  • Hans Branderhorst februari 2012